vrijdag 23 oktober 2009

Een waardevol debat

Met vertegenwoordigers van onze studenten- en studieverenigingen en leden van de studentfracties in de Universiteitsraad en de faculteitsraden debatteerde ik onlangs over de verhoging van de norm voor het Bindend studieadvies (Bsa). De bijeenkomst vond plaats bij het Tilburg Studenten Corps St. Olof. Er waren ongeveer vijftig studenten gekomen om deel te nemen aan de discussie en hun stem te laten horen.

Tilburg gaat en staat voor kwaliteit
In mijn inleiding heb ik benadrukt dat de Universiteit van Tilburg over de hele linie kiest voor kwaliteit. Dat betreft zowel het onderzoek als het onderwijs. We mikken op gemotiveerde, hardwerkende studenten die het beste uit zichzelf naar boven willen halen. Daar staat tegenover dat wij zorgen voor goede docenten die de studenten uitdagen. Studenten en docenten moeten elkaar scherp houden. Het gaat om de combinatie van een academische inhoud en een goede organisatie en begeleiding van de studenten. De relatief kleine schaal van onze universiteit maakt het mogelijk om studenten ook echt te leren kennen.

Een onderdeel van onze kwaliteitsstrategie is dat we vinden dat het eerste jaar van de studie selectief moet zijn. Onderzoek wijst uit dat een voortvarende start van de studie essentieel is voor een goed vervolg. Studenten die voortdurend een achterstand aan het wegwerken zijn, komen ook moeilijker toe aan andere waardevolle activiteiten, zoals actieve lidmaatschappen van studenten- en studieverenigingen, functies in de medezeggenschap, stages, verblijf in het buitenland en student-assistentschappen. En dat is jammer. Want kwaliteit betekent voor mij juist ook dat je meer dan alleen je studie doet! Een Bsa-norm van 36 ECTS (60% van de te behalen studiepunten) past niet bij dit accent op kwaliteit en selectiviteit. Vandaar het voorstel om niet voor een 6 maar voor een 8 te gaan en de norm op te hogen naar 48 ECTS.

Een tegen vijftig?
Was de rector magnificus een roepende in de woestijn? Nee, gelukkig niet. Een grote groep van de aanwezige studenten sprak zijn steun uit voor de nadruk op kwaliteit en een strengere selectie na het eerste jaar.
De besturen van de studentenverenigingen hebben hun zorgen geuit voor de mogelijke terugloop van hun (actieve) leden. Ik heb ze uitgedaagd om samen te kijken hoe we de juiste balans kunnen vinden tussen een vlot verloop van de studie en de deelname aan het studentenleven.

Daar moeten we uit kunnen komen, er vanuit gaande dat een gemiddelde student zestien uur per dag tot zijn beschikking heeft(slaapuren al van de dag afgetrokken Al is geen enkele student natuurlijk gemiddeld.

vrijdag 16 oktober 2009

De Kunst van het beoordelen


Als rector magnificus heb je veel en vaak te maken met beoordelingen. Ik spreek met commissies in het kader van mid term reviews (voor onderwijs en onderzoek), in het kader van visitaties van onderzoek, van accreditaties van opleidingen etc. Universiteitsbreed is dat heel wat.

Part of the job
We beoordelen heel wat af. Er is helemaal niks mis mee om ons werk periodiek aan gezaghebbende externe experts voor te leggen. Uiteraard is het spannend om je “de maat te laten nemen”. Maar dat is “part of the job”. Bovendien is het vaak erg leerzaam om spiegels voorgehouden te krijgen door vakgenoten die je hoog acht. Daar word je alleen maar sterker van.
Maar we moeten niet overdrijven. We steken veel tijd in het opstellen van zelfevaluatiestudies. De bezoeken van beoordelingscommissies worden zorgvuldig voorbereid en kosten ook het nodige. Bovendien wordt het steeds moeilijker om geschikte “peers” bereid te vinden om hun kostbare tijd te steken in de beoordeling van vakgenoten. En we weten maar al te goed dat de waarde van een beoordeling staat en valt met de autoriteit van de beoordelaar.

Kan het een onsje minder?
We moeten dus de maatvoering in het beoordelen goed bewaken. En goed in de gaten houden waar het om gaat. Beoordelen moet bijdragen aan beter academisch onderwijs en onderzoek. En dat schiet niet erg op als de goede onderzoekers en docenten zelfevaluaties schrijven of onderweg zijn om anderen de maat te nemen.
We kunnen de belasting ook sterk beperken door ons te baseren op goede en betrouwbare gegevens over onderwijs en onderzoek. Op onderzoeksgebied denk ik dan bijvoorbeeld aan: aantallen promoties, (top)publicaties, toegewezen subsidies en andere blijken van waardering. Bij de beoordeling van het onderwijs gaat het om zaken als de tevredenheid van studenten, de arbeidsmarktpositie van alumni, de studierendementen etc.
We moeten dus zorgen dat we deze (kern)gegevens goed op orde hebben. Dat maakt het beoordelen eenvoudiger, transparanter en minder tijdrovend. Ik ben verheugd dat de Universiteit van Tilburg inmiddels zogenoemde stuurkaarten kent met goede, vergelijkbare kengetallen onder meer op het vlak van onderwijs en onderzoek.

woensdag 7 oktober 2009

Maatschappelijke excellentie in het onderwijs

Vorige week mocht ik een cheque van een kleine miljoen Euro in ontvangst nemen uit handen van Minister Plasterk van Onderwijs. De Universiteit van Tilburg krijgt dit bedrag in het kader van het Sirius-programma. Dit programma richt zich op de bevordering van excellentie in het hoger onderwijs.




















Ik ben erg blij dat we dit keer in de prijzen zijn gevallen. Niet alleen omdat we het toegekende bedrag goed kunnen gebruiken voor de uitvoering van ons programma ('Outreaching' genaamd), maar ook omdat onze universiteit er bij wil horen als het gaat om onderwijs-programma’s die meer te bieden hebben voor studenten. Bij de presentaties vorige week in Amsterdam bleek dat de Universiteit van Tilburg een bijzonder programma heeft dat zich onderscheidt van de meeste andere programma’s.

Wij mikken niet alleen op de verdieping in de discipline, maar zoeken juist de verbinding met de samenleving. De studenten doorlopen een flexibel programma van 30 ECTS met een hoogwaardige stage, een buitenlands verblijf, een cursus ondernemerschap en masterclasses.
We werken in het programma samen met maatschappelijke partners: bedrijven (zoals Philips), maatschappelijke ondernemingen (zoals CZ-zorgverzekeringen) en publieke organisaties (zoals de Algemene Rekenkamer).

Er is ruimte voor ongeveer 50 studenten. Het gaat om studenten die het eerste jaar van de studie vlekkeloos zijn doorgekomen met minimaal een 7 gemiddeld en die zeer gemotiveerd zijn om in het tweede en derde jaar van de bachelor hun kennis en vaardigheden te ontwikkelen in relatie tot maatschappelijke vraagstukken.