woensdag 8 februari 2012

Waardering voor onderwijs

Het onderwijs staat onder druk.
Recent was er de staking van de leerkrachten in het voortgezet onderwijs. De aanleiding was de belasting van de leerkrachten en de korting op de verlofdagen. Er werden grote woorden gesproken. De huidige minister van onderwijs zou het ambt niet waardig zijn. Duidelijk is dat hier meer aan de hand is. Het gaat om vertrouwen in en waardering voor het vakmanschap van de leerkracht.

In het hoger beroepsonderwijs wordt naar aanleiding van de zaak Inholland en enkele andere kwesties over de kwaliteit van het onderwijs en de verzekering van een deugdelijke toetsing de broekriem aangehaald. Recent is een wetsvoorstel in de ministerraad besproken dat ziet toe op de verscherping van het toezicht in het hbo. Zo zou moeten worden voorkomen dat onterecht diploma’s worden afgegeven.

Ook de universiteiten staan onder druk. Volgens het recent afgesloten hoofdlijnenakkoord met staatssecretaris Zijlstra komen er prestatieafspraken met de afzonderlijke instellingen tot stand over zaken als de vermindering van de uitval, de verbetering van de rendementen en de profilering van het onderzoek.

Deze druk op het onderwijs(stelsel) kan goed en slecht uitpakken. De bestuurders en de docenten kunnen samen met de leerlingen en de studenten de uitdaging aangaan en zo het onderwijs verder verbeteren. Ook al staat het Nederlandse (hoger) onderwijs internationaal goed aangeschreven. Zoals in elke sector valt er wel degelijk winst te behalen. Zo kan de verbinding tussen onderwijs en onderzoek – ook in de bachelor - worden versterkt en ook moet het onderwijs intensiever en uitdagender. In het personeelsbeleid dient de waardering voor onderwijs ook tot uitdrukking te komen. Ik geef daar zelf ook prioriteit aan.
Er is echter ook een afbreukrisico. Dat leidt tot verscherping van de tegenstellingen, meer toezicht, minder ruimte voor de instellingen en voor de docenten. Dat resulteert uiteindelijk in minder vertrouwen in en waardering voor onderwijs. Dat moeten we koste wat kost voorkomen.

woensdag 21 december 2011

Hoe houden we de student bij de les?

Onze “Teaching Meeting 2011”, die op 19 december plaats vond, was meer dan de moeite waard. Het thema was onderwijs voor grote groepen en de uitdaging om studenten te activeren. De zaal was goed gevuld (zo’n 150 deelnemers) en tijdens de (zestien) workshops werd er door docenten van de diverse faculteiten intensief gesproken over de pro’s en contra’s van diverse werkwijzen. Prof. Martin Valcke van de Universiteit Gent liet in zijn keynote zien dat het essentieel is om vooraf een doordacht programma te hebben van de inzet van (typen) colleges (zie http://t.co/Vosyg1XL). In de workshops werden door docenten heel concrete voorbeelden getoond van activerende werkvormen.
Bij de afsluiting van de middag heb ik gewezen op de mogelijkheid om een voorstel voor een “Grassroots project” in te dienen.
zie http://www.tilburguniversity.edu/intranet/teaching/tm2011/grassroots//)). Zo willen we op een simpele en laagdrempelige manier stimuleren dat goede, vernieuwende ideeën voor het onderwijs aan grote groepen een concreet vervolg krijgen.
Deze “Teaching Meeting” vraagt zelf wat mij betreft ook om een vervolg. Het onderwijs leeft in onze instelling en het is goed om van elkaars ervaringen te leren.

vrijdag 18 november 2011

Rijk aan wetenschap

Het Science Café Tilburg viert het eerste lustrum.
Het is uiteraard goed om daar bij stil te staan. Tilburg verbindt op deze wijze het serieuze en inspirerende van de wetenschap met het sociale en aangename (wellicht Brabantse) van een ontmoetingsplaats.
Aan mij was gevraagd een openingsstatement af te geven over het gekozen thema: het nut van de wetenschap. En de prikkelende vraag die prijkt boven de aankondiging is: Weg van de wetenschap? (gelukkig staat er nog wel een vraagteken).
Dat zet de toon.

Voor mij is de essentie van wetenschap en onderzoek dat we uit nieuwsgierigheid op zoek gaan naar nieuwe, onbekende verschijnselen en zaken en liefst de onderste steen boven (willen) halen. Dat uitgangspunt zal wat mij betreft steeds de boventoon moeten voeren. Bovendien waardeer ik in de wetenschap de attitude van twijfel en niet die van zekerheid.
En natuurlijk gaat het ook in de wetenschap om eerzucht, competitie, de slimste willen zijn.
Daar is niks mis mee. De gerenommeerde sociaal psycholoog Carsten de Dreu typeerde en verklaarde het gedrag van zijn (voormalig) collega Stapel door een gebrek aan nieuwsgierigheid en een overmatige eerzucht (in mijn woorden).
Letterlijk zei hij: “Nieuwsgierigheid is de waarborg van de wetenschap tegen hypes en fraude, het drijft niet alleen je eigen onderzoek voort, maar maakt ook dat je collega’s kritische vragen blijft stellen: hoe kom je daar precies aan, laat het eens zien. Wat wij nodig hebben is dat we nieuwsgierig zijn, blijven en nog veel meer worden”. Mooi gezegd.
Nieuwsgierigheid en twijfel dus, als ankerpunten.

Dan naar het nut van de wetenschap.
Er is inderdaad een tendens in onze samenleving in de richting van wetenschap die wat moet opleveren. Het gaat om valorisatie, “topgebieden” die door mensen uit het bedrijfsleven worden geleid met geld dat voor een groot deel uit de wetenschap komt en het adagium “kennis, kunde en kassa” viert hoogtij. Daar word ik bepaald niet vrolijk van. Dit is “korte baan schaatsen” en doet geen recht aan de dynamiek van de wetenschappelijke professie.

Dat betekent echter niet dat wij de samenleving “links en rechts” kunnen laten liggen. Uiteraard moeten we laten zien wat we waard zijn, niet alleen in economisch opzicht, maar ook maatschappelijk, cultureel en democratisch. Voor mij is valorisatie niet een beperking “aan de voorkant” van het onderzoek. De wetenschap stelt zelf de vragen en laat zich niet voorschrijven wat wel en niet wordt onderzocht. De uitdaging zit eerder aan “de achterkant”. Met de resultaten van ons wetenschappelijk onderzoek en onderwijs kan vaak veel meer gebeuren dan we denken. Daar valt naar mijn stellige overtuiging veel winst te boeken. Met tal van voorbeelden kan overigens nu ook al worden aangetoond wat de wetenschap bijdraagt aan onze samenleving. En ik wijs ook op het gegeven dat de leiders en ondernemers van de toekomst in onze universiteiten worden opgeleid. Over valorisatie gesproken..

Vandaar dat ik dit korte openingsstatement de titel “Rijk aan wetenschap” heb meegegeven. Laten we die rijkdom koesteren.

maandag 26 september 2011

Eerlijke wetenschap

Er wordt op en buiten onze campus uiteraard veel gesproken over de kwestie van de fraude met data. Mensen zijn geschokt, verbaasd en kwaad. En dat is maar goed ook. Ik heb diezelfde gevoelens.
Dit is niet het moment voor mij om nader in te gaan op de ins en outs van het concrete geval. Ik heb daar overigens in alle openheid al het nodige over gezegd.

Mij gaat het hier over wat ik lees en hoor over de context en over de prestatiedruk in de wetenschap.
Wordt er niet te veel gevraagd van onze wetenschappers? Zeker, er is druk om te presteren in de Academie. Er bestaan allerlei rankings op het vlak van onderzoek. Het onderwijs wordt geëvalueerd. We kennen een mediatop. We zien graag dat onze mensen beurzen binnenhalen bij nationale en internationale organisaties. Allemaal waar.

Maar we mogen doel en middel niet verwarren. De kern van de Academie bestaat niet uit prestatie-indicatoren en lijstjes, maar uiteindelijk gaat het om betrouwbare kennis, voortschrijdend inzicht, praktische wijsheid en het vermogen om mensen te inspireren rondom gemeenschappelijke idealen.
En bovenal gaat het om eerlijke wetenschap. Die zal immers het langst duren.

vrijdag 1 juli 2011

Toegevoegde waarde in de Academie

Onlangs mocht ik de eerste Valorisatieprijs uitreiken (zie www.tilburguniversity.edu/nl/samenwerken/advies-en-dienstverlening/valorisatie/valorisatieprijs). Bij die gelegenheid heb ik enkele opmerkingen gemaakt over de manier waarop waarde kan worden toegevoegd in de Academie. Of anders geformuleerd: op welke wijze kunnen we ons onderscheiden in het universitaire krachtenveld?
Ik heb vier punten genoemd.
Allereerst gaat het om onderzoek dat vernieuwend is, veelal uitmondend in publicaties die iets toevoegen aan het al bestaande arsenaal aan kennis en inzichten. Daarover zal weinig controverse bestaan; het onderzoek vormt de basis van een universiteit. Hoewel naar mijn stellige overtuiging niet voor alle publicaties die verschijnen kan worden volgehouden dat ze zich onderscheiden van andere. Daar mag de lat dus best wat hoger worden gelegd.

Ook kunnen we ons onderscheiden in het academisch onderwijs. Dit tweede domein zou in de academie verbonden (moeten) zijn met het onderzoek. Daar ligt, zeker in de bachelor, een stevige uitdaging. Onderwijsinnovaties zijn naar mijn overtuiging nodig om de studenten uit te dagen, bijvoorbeeld door het gebruik van cases of door papers en referaten van de studenten.
De vernieuwing van ons onderwijs vraagt meer tijd en aandacht.

Dan naar valorisatie. Daar gaat het om de maatschappelijke relevantie, om het verzilveren van onze kennis in verbinding met sectoren in de samenleving. Daarbij gaat het overigens niet alleen om economisch gewin, maar ook om maatschappelijke en culturele waarde en “evidence based” werken. Valorisatie leidt wat mij betreft niet tot beperkingen aan de “voorkant” van ons onderzoek, maar vraagt om meer aandacht voor de waarde van de resultaten ervan. In de mens- en maatschappijwetenschappen denken we dan niet alleen aan bedrijvigheid en ondernemerschap maar ook aan zaken als de ontwikkeling van concepten, kwalificaties en profielen, beleidsadvies, input voor wetsvoorstellen en ook aan onderwijs- en trainingsprogramma’s.

Deze drie werkvelden vormen het primaire proces van een universitaire gemeenschap. Dit proces kan niet zonder een hoogwaardig ondersteunend apparaat. Ook in dat opzicht kan het verschil worden gemaakt tussen een goed lopende universiteit en een gewone of middelmatige. Dit vereist een houding gericht op “operational excellence” ten dienste van het primair proces. Een goed samenspel tussen docenten en onderzoekers enerzijds en hun “supporting staff” is veel waard.

dinsdag 3 mei 2011

Leren van de Finnen

Nederland zou weer tot de top 5 van kenniseconomieën in de wereld moeten gaan behoren. We staan nu, met een achtste plek, nog net in de top 10. Maar in 2000 floreerden we nog op een derde plaats. Onze innovatiekracht blijft achter bij de concurrenten. En die concurrenten zijn zeker niet alleen de bekende grootmachten zoals de VS en Canada, maar juist ook kleinere landen zoals de Scandinavische landen, Zwitserland en Singapore.

Wat doen die landen nu anders en vooral beter dan Nederland?
Ze investeren meer in Research en Development (R&D). In Nederland blijft zowel het publieke als het private aandeel in de financiering van het onderzoek achter. Ook het innovatief en kennisintensief ondernemerschap laat bij ons nog te wensen over. Ondernemerschap is traditioneel een positief punt in Nederland, maar in deze tijd van globalisering is het zaak, ook voor het midden- en kleinbedrijf, om sneller te vernieuwen en kennis op te nemen. De verbinding tussen ondernemingen, overheden en kennisinstellingen moet hechter (“Triple Helix”).
Dat geeft de mogelijkheid om de aanwezige kennis ook te verzilveren (valorisatie).

Een mooi voorbeeld is Finland, met name de bloeiende regio rond Helsinki. Deze regio is een centrum van hoogwaardige kennis en een knooppunt van menselijk kapitaal (zie ook: http://www.scienceguide.nl/201103/nederland). Een van de verklaringen voor dit Finse succes is het belang dat de universiteiten hechten en de ruimte die ze bieden aan promovendi/PhD’s. Dit heeft tot gevolg dat de arbeidsmarkt voor gepromoveerden erg goed is, ook buiten de Academie. Onderzoekers werken net zo makkelijk als experts in de bedrijven en bij de consultancy. Zij vormen een verbindende schakel tussen de universiteiten, het bedrijfsleven en de publieke sector. Dat is precies wat nodig is in een kenniseconomie.

woensdag 2 maart 2011

Allemaal een tandje bijzetten

Het is een roerige tijd in de Academie. We leven onder de druk van aangekondigde bezuinigingen in het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek. Bovendien neemt de (internationale) concurrentie toe. Aan universiteiten wordt gevraagd om zich te profileren en om aan te geven waar zij het verschil willen maken.

In zo’n klimaat is het vanzelfsprekend dat aan de bestuurders van universiteiten wordt gevraagd waar zij (voor) staan. Dat gebeurt mij ook regelmatig, zowel in gesprekken met studenten als met leden van onze staf.

Uiteraard valt er veel over te zeggen. Maar wat is de essentie van de boodschap? Wat mij betreft is dat: iedereen zal een tandje bij moeten zetten!

Dat geldt voor onze studenten die bijvoorbeeld in het eerste jaar aan hogere eisen moeten voldoen om een positief Bindend studieadvies te krijgen. Studenten zullen meer tijd aan hun studie moeten besteden.
Van docenten mag worden verwacht dat ze laten zien dat intensief studeren ook erg aantrekkelijk kan zijn. Het onderwijs zal intensiever en actiever worden. Dat vraagt ook om innovatie en inzet in het onderwijs. Ook daar zal de versnelling een tandje hoger moeten. Meer werk maken van het onderwijs en tegelijkertijd ook goed onderwijs beter waarderen, dat is wat nodig is.

We zullen er ook niet aan ontkomen om het werk doelmatiger te verrichten en te organiseren. De ondersteunende diensten op centraal niveau en de bureaus van de faculteiten zullen samen sterker en slimmer moeten zijn, zodat we middelen besparen om aan het primair proces te besteden.

Om onze positie te handhaven zullen we dus aan de bak moeten. Dat vergt inzet en kost kracht. Maar deze versnelling is nu nodig om in de kopgroep te blijven.